Speciaal

De Film in de spiegel

april 2002

Ik ben een van de hoofdrolspelers in een drama van een mens dat blijkbaar geen andere uitweg meer zag. Waarom ik?

Het is 16 maart  2002.
Een zaterdagdienst, altijd anders dan op gewone werkdagen, ander publiek, andere sfeer, gezelliger vaak. Ik kan niet vermoeden dat het zo totaal anders verloopt.
Een ervaring die elke chauffeur tot een nachtmerrie zal rekenen.
Ik rijd op de busbaan naar Amersfoort station en plotseling zie ik rechts voor mij een man zich los maken uit een groepje mensen en rennend op mijn bus afkomen. Terwijl ik het stuur omgooi om hem te ontwijken gaat er een ervaring door mij heen die ik eerder had en die menig chauffeur zal herkennen: iemand, die de bus nog wil halen terwijl je al van een halte weg gereden bent. Als hij, meestal een jongere uit een groep, beseft dat je niet stopt, rent op de bus af en geeft een klap ertegen om daarna boos terug te lopen. Hij realiseert zich niet dat de chauffeur verstijfd achter het stuur en met de schrik in zijn donder, verder moet rijden.
“Stomme idioot” denk je dan en met het beeld dat het ook anders kan aflopen, rijd je verder. Je vergeet het weer.
Op dit moment komt dat beeld weer boven en terwijl ik de rennende man probeer te ontwijken, volg ik hem in de rechter buitenspiegel en zie tot mijn stomme verbazing dat hij met dezelfde snelheid en intentie door blijft rennen en zich uiteindelijk, ter hoogte van het achterwiel, tegen de bus aanstort, valt,  rolt en dan… is het zwart voor mijn ogen. Ik stop de bus, zit als versteend in die spiegel te staren en weet even niet waar ik ben, wat ik ben en wie ik ben.
Een fractie van een seconde, daarna gaat het op volle toeren draaien, komt de werkelijkheid tot me, ervaar ik mijn omgeving weer, een passagier die met zijn gsm naast me staat en de woorden: “U kan er niets aan doen, hoor”.
Ik zie een bus uit tegenovergestelde richting en wat de chauffeur gebaart, ervaar ik als: ‘blijf maar ik regel het wel!’ Dankbaarheid doorstroomt me, deze twee mensen zijn getuige en ik realiseer me dat ik de noodknop moet intrappen.
Heel vreemd, vanaf dat moment kom ik in een soort tweestromenland; er is één lijn die mij laat functioneren zoals er van me verwacht wordt: verantwoordelijk en professioneel en doordacht. Ik communiceer met de CVL, berg mijn geld en strippenkaarten op voor graaigrage handjes, vraag aan de man van de gsm of hij zijn naam en adres wil achterlaten. En die andere lijn is er een van pure emotie en paniek.
Eén uitweg slechts en dat is huilen en herhalen: “Ik kon er niets aan doen, ik kon er écht niets aan doen!”
Ik loop de bus uit en de collega van de andere bus helpt met troostende woorden: “Ik heb het gezien, je kon er niets aan doen!”
Verward ben ik en ook heel helder. Ik loop richting slachtoffer, waar ondertussen al mensen bij zijn, denk nog even dat ik zelf wat moet doen, maar realiseer me tegelijkertijd dat ik in deze toestand niet in staat ben om ook maar iets te doen.
Iemand gilt om een ambulance, hij is er dus slecht aan toe. Ik loop verder, kijk en zie een lijkbleek gelaat, ogen die omhoog draaien en op dat moment weet ik dat hij het niet zal overleven.
Het hele circus komt op gang , loeiende sirenes, ambulances, nog meer politie, ik word opgevangen door een agent en later door een chauffeur van Connexxion die speciaal voor mij is gekomen. Bij God, wat zijn collega’s op zo’n moment belangrijk, ik vind een schouder om te huilen  iemand om tegen aan te praten, ik wil het steeds maar herhalen: die film die ik in de spiegel zag.
Later is er iemand van ons calamiteitenteam en ondertussen wordt er alles gedaan om de man te redden. Er komt zelfs nog een traumahelikopter om een dokter te brengen die chirurgische ingrepen kan verrichten zodat zijn levenskansen worden vergroot. De pilote vertelt het mij allemaal, net als de ambulancemensen die op alles antwoord geven. De politie probeert mij nog van de man weg te houden, maar ik wil erbij zijn, zien en meemaken wat er allemaal gebeurt.
Mijn  rol lijkt niet belangrijk, er is één grote vraag : Waarom doet iemand dit, welk leed ligt hieraan ten grondslag? Ik voel en weet dat ik geen schuld heb en als ik later op het politiebureau mijn verhaal moet vertellen, kan ik dit ook, wil ik het ook, duidelijk zoals ik het ervaren heb, afgewisseld met huilbuien.
Nog vele keren zal het verhaal over mijn lippen gaan en rollen de tranen uit mijn ogen. Praten en janken dat is alles wat ik kan, ook de dagen erna.
Er is één grote angst: dadelijk alleen naar huis, alleen in dat lege huis, dus op weg naar Rhenen ben ik blij dat ik toevallig ‘s morgen mijn mobieltje heb opgewaardeerd en ik probeer mensen, vrienden te bellen die mij kunnen bijstaan, maar om de een of andere reden is er niemand die naar me toe kan komen. In Rhenen zijn er weer andere mensen en kan ik weer praten, ik krijg koffie, armen om mij heen, er worden zakdoeken aangereikt.
Ik krijg Karin aan de telefoon en zij belooft mij te helpen. In haar heb ik veel vertrouwen omdat ze met dit soort processen  omgaat op een manier die mij aanspreekt en ook nog collega is.
Als men mij thuis heeft afgeleverd en daar ook weer over andere dingen gepraat kan worden, voel ik dat het alleen zijn niet zo erg meer is, dat het misschien wel goed is.   Inderdaad, als ik alleen ben, komt er een soort rust over me en kan ik weer allerlei mensen gaan bellen. Steeds weer het verhaal vertellen, want dat is nodig. Tranen vloeien in overvloed, maar de film vervaagt wat en als ik de volgende dag wakker word, ben ik blij dat de gevreesde nachtmerries zijn uitgebleven.
De politie uit Amersfoort belt mij de volgende dagen regelmatig en ik waardeer dat, ik kan alles wat ik weten wil vragen en dan wordt het drama van de man een beetje duidelijker: hij is een asielzoeker die net uit Azerbeidzjan was aangekomen en in zijn thuisland al depressief. Ze waren op weg naar het politiebureau om de asielprocedure in gang te zetten en voor de ogen van zijn vrouw en kinderen heeft hij het eind van zijn leven in eigen hand genomen. Mogelijk motief was om zodoende de gelegenheid te scheppen om verblijf van zijn gezin hier te verzekeren. Het ware verhaal is met de man het graf in gegaan.   Ik besef dat het leed van deze vrouw en de kinderen groter is dan het mijne, maar tegelijkertijd weet ik ook dat het niet uitwisselbaar is, dat zij hun leed moeten dragen en ik het mijne.
Dan rijst de volgende vraag: Waarom ik? De man heeft een bus gekozen en niet mij, maar waarom was ik op dat moment daar en niet een van mijn collega’s? Ook daar zal ik nooit écht antwoord op krijgen en uiteindelijk berust ik er in dat ik het was, zonder te vragen naar de reden, het is toch niet meer te veranderen. Ik blijf het vertellen aan een ieder die het horen wil en ik voel me gelukkig dat ik zoveel vrienden en bevriende collega’s heb, want dan hoef ik mijn uitlaatklep niet over één persoon leeg te storten, die zou gek worden.
Uiteindelijk zal ik het toch alleen moeten verwerken en daar is tijd voor nodig. Nu, een aantal weken later, weet ik waarom ik een van de spelers was. Het  heeft veel los gemaakt in mij, maar als chauffeur met veel (levens)ervaring, weet ik dat ik de weg zal vinden om er doorheen te komen.   En nog veel later is mij duidelijk geworden waarom het mij is omgekomen en ben ik zelfs blij en dankbaar dat het gebeurd is.
Het heeft mijn leven een draai gegeven, de goede kant op.

April 2002
Wil je reageren op dit verhaal , graag, vooral ook als je zelf iets dergelijks hebt meegemaakt. Ik wil wel uitwisselen.

Nu, in 2017, weet ik dat deze ervaring een van de motivaties was om bij Slachtofferhulp Nederland te gaan werken. Dit doe ik alweer ruim 5 jaar en ik doe het nog altijd met veel liefde,